|

Column van Eddy Janssen
Elke maand schrijft Eddy Janssen een artikel in een maandkrant. Het onderwerp heeft altijd raakvlakken met onderwijs en opvoeding in het bijzonder of de maatschappij in het algemeen.
De tekst van dit artikel geven wij iedere maand ook op deze website weer.
Mag ik weg of moet ik…
Basisschool De Steiger in mijn woonplaats Stampersgat haalde onlangs de voorpagina van BNDeStem. Het schoolbestuur van deze school had besloten om maar liefst vier leerkrachten van De Steiger per direct (1 januari 2012) over te plaatsten naar basisschool De Klinkert te Oudenbosch, een school die onder hetzelfde schoolbestuur valt. Vier leerkrachten van De Klinkert zouden de omgekeerde richting uit gaan. Omdat de ouders van beide scholen vonden dat ze met deze ‘lerarenruil’ overvallen werden, brak er een flinke rel uit. Het mailverkeer tussen de geëmotioneerde ouders onderling, maar ook richting schoolbestuur, zorgde voor oververhitte computers in Stampersgat en Oudenbosch.
De ouderraden en medezeggenschapsraden werden in opperste staat van paraatheid gebracht. De pers pikte dit natuurlijk ook op en heel West-Brabant kon elke dag nauwgezet lezen wie er nu weer de zwarte Piet toegeschoven kreeg. Via het gastenboek op de website van BNDeStem bemoeide Jan en alleman zich ermee. Een gevoelig onderwerp dus! “Kan dat nou allemaal zomaar?”, is mij regelmatig gevraagd en ook u zult dit waarschijnlijk niet helemaal begrepen hebben. “Kan dit morgen ook op de school van mijn kind gebeuren?” is zeker een reële vraag.
Vroeger Dergelijke berichten in de krant waren vroeger vrijwel ondenkbaar. De kleuterscholen en lagere scholen waren een hecht bolwerk in elk dorp of wijk. Het hoofd der school (in veel plaatsen hadden ze de titel ´Musjeu´) en de hoofdzuster (Soeur Superieur) speelden er de hoogste viool en ze werden niet zelden ook gezien als halve burgemeesters. Ouders klopten zelfs bij hen aan met hun belastingaangiften!
Op die scholen stonden leerkrachten, die zowat met de school vergroeid waren en er zo goed als vastgeroest zaten. Ze draaiden jaarlijks hun programma voor hun eigen, specifieke klas en verlieten hun klas en hun school in principe ook nooit meer. Je wist ver van tevoren al bij wie je in de vierde klas terecht zou komen en zowel de ouders als de kinderen in het dorp hadden allemaal bij dezelfde leerkrachten gezeten. Op foto’s van vroeger zie je vreemd genoeg ook alleen maar oude leerkrachten. Dat gold ook voor het schoolbestuur. Enkele wijze ouderen uit het dorp en de gemeenten runden de school en pasten op de centen.
Mobiliteit Slechts bij hoge uitzondering wisselden de juffen en de meesters van school. Daar kwam verandering in. In de jaren 70 hadden de leerkrachten de scholen voor het uitzoeken en werd er zelfs om ‘gevochten’. Vooral de kloosters (de´paters´ en de ´nonnen´) konden daar wat van. Elke school wilde natuurlijk de beste leerkrachten. Die ‘gouden tijd’ voor leerkrachten is momenteel ver te zoeken. Veel afgestudeerde leerkrachten zitten thuis, kiezen al dan niet tijdelijk voor een ander baantje of zijn dolgelukkig als ze ergens op een school een dagje in kunnen vallen. Een zwangerschapsverlof of lang ziekteverlof invullen is natuurlijk helemaal meegenomen.
Er wordt momenteel heftig bezuinigd in het onderwijs. Misschien zelfs wel onverantwoord. Aan alle kanten wordt er gesneden. Dat kost veel banen en vacatures zijn er dus al helemaal niet meer. Hierdoor is er weinig verloop op de scholen. De ‘mobiliteit’ is ver te zoeken. ‘Blijf zitten waar je zit en verroer je niet’ is de boodschap. In tijden van een teruglopende economie en schaarste op de arbeidersmarkt is het cruciaal dat je werk hebt. Zelfs leraressen, die toch vaak na een bevalling minder gaan werken, kiezen momenteel toch weer voor ´full time´ voor de klas staan.
Minder kinderen Naast de onderwijsbezuinigingen is ook de terugloop van het aantal geboorten natuurlijk een belangrijke oorzaak van het gebrek aan banen voor de afgestudeerde PABO-ers. Navraag van de geboortecijfers in diverse gemeenten bevestigen mijn bange vermoedens, dat in veel dorpen het aantal kinderen de komende jaren wel met 30% kan dalen. Dat is niet mis! Ik ken dorpen waar slechts enkele kinderen per jaar geboren worden. Gelukkig zijn er ook plaatsen waar forse nieuwbouw voor jonge gezinnen gepleegd wordt. Daar zal het nog wel los lopen. Maar dat het kleinere kinderaantal heel wat banen in het onderwijs gaat kosten, staat wel als een paal boven water. Zelfs scholen zullen moeten sluiten. Verlaat er dan niemand het onderwijs? Natuurlijk wel, maar niet massaal. Minder gaan werken of eerder stoppen met werken (bijvoorbeeld vervroegd uittreden via de fpu) is in deze mindere tijden niet echt aantrekkelijk. Scholen zitten in zwaar weer.
Schaalvergroting Om zich te wapenen tegen al dat naderende onheil en zelfs uit lijfsbehoud gaan scholen met elkaar in gesprek. Er ontstaan bestuurlijk fusies. Dit betekent dat meerdere scholen onder één bestuur terecht komen. De grootte van die schoolbesturen varieert sterk. Nog enkele scholen proberen alleen de broek op te houden, sommige scholen proberen met enkele omliggende dorpen of wijken een fusie tot stand te brengen en er zijn al tal van schoolbesturen (vooral in de grote steden) die vele tientallen scholen aansturen. Ook in West-Brabant zien we hetzelfde gebeuren. De katholieke scholen in en rondom Roosendaal hebben zich verenigd in het KPO. Het openbaar onderwijs tussen Roosendaal en Drimmelen heeft zich verenigd in de Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant. Verder kennen we in West Brabant de Professor Gielen Stichting en Het Barlake. De laatste twee hebben onlangs besloten om samen te gaan onder de naam Borgesius Stichting. Door deze schaalvergroting hebben schoolbesturen meer kans om de (vaak financiële) problemen het hoofd te bieden.
Bestuursbenoeming Goed voor de leerkrachten dus. Meer kans op werk, want als er geen werk meer op de ene school is, kan men misschien wel bij een andere school van hetzelfde schoolbestuur terecht. Dat klopt helemaal, want vanaf het moment van een scholenfusie is een leerkracht niet meer aan zijn ‘oude’ vertrouwde schooltje benoemd maar krijgt een ‘bestuursbenoeming’. Het bestuur kan een leerkracht dus in principe plaatsen op welke school van het bestuur dan ook. Natuurlijk zal een schoolbestuur dit niet te pas en te onpas doen en men zal zeker geen volksverhuizing van leerkrachten willen veroorzaken. Toch kunnen er redenen zijn om van school te ‘verkassen’. Dit kan vrijwillig, maar ook verplicht, oftewel gedwongen, zijn.
Vrijwillig spreekt voor zich. De leerkracht vraagt er dan zelf om. Hij of zij wil zijn horizon eens verbreden en wil eens kijken hoe het er op andere scholen aan toegaat. Ook kan het zijn dat een andere school meer mogelijkheden biedt. Misschien kan een leerkracht wel die vurig gewenste groep acht krijgen, die op de eigen school ‘bezet’ is. Misschien liggen hier betere kansen op promotie of is het praktisch gezien simpelweg veel dichter bij huis. De leerkracht maakt dan zijn wens kenbaar bij het schoolbestuur en, indien mogelijk, zal elk schoolbestuur proberen om aan een dergelijk verzoek gehoor te geven.
Gedwongen Mobiliteit kan echter ook noodgedwongen plaats vinden. De leerkracht heeft dan zelf geen keuze maar moet gewoon verplicht naar een andere school, omdat bijvoorbeeld het leerlingenaantal op de eigen school sterk daalt. Die leerkracht zal dat waarschijnlijk jammer of zelfs vervelend vinden, maar gelukkig kan hij of zij gewoon aan het werk blijven.
Terugkomend op mijn voorbeeld van het schoolbestuur dat van de ene op de andere dag vier leerkrachten om wilde wisselen: “Kan een schoolbestuur nu zomaar vier willekeurige poppetjes op een andere plaats zetten?” De CAO van het primair onderwijs zegt dat overplaatsing, zonder de toestemming van de leerkracht, wel degelijk kan. Buiten een tekort aan leerlingen, een conflict of op aanraden van de Arbodienst wordt namelijk ook genoemd: ‘Zwaarwichtige omstandigheden’. Die kan een schoolbestuur zelf creëren en/of invullen. Geen enkele leerkracht in het basisonderwijs is dus nog zeker van zijn ‘standplaats’. Wat vandaag zeker lijkt, kan morgen weer heel anders zijn.
Verstandig Schoolbesturen moeten, ondanks de moeilijke tijden, mobiliteit in de onderwijswereld heel serieus nemen en zelfs stimuleren. Hier liggen kansen. Wat de vrijwillige mobiliteit betreft is het niet fout voor een leerkracht om eens wat ‘verder’ rond te kijken. ‘Je groeit in het onderwijs’ is een terechte slogan van het Ministerie van Onderwijs. Dat kan alleen maar als je ervoor zorgt om niet vast te roesten op één plek. Leerkrachten verdienen het om kansen te krijgen, ook op een andere school. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor directeuren. Mobiliteit zou eigenlijk op veel grotere schaal plaats moeten vinden.
Bij de gedwongen mobiliteit ligt het allemaal een stuk gevoeliger. Hier komen emoties bij kijken. Schoolbesturen moeten werk maken van mobiliteit en er verstandig mee omgaan. En is er eens een echte crisissituatie binnen een bestuur, dan hoop ik dat schoolbesturen niet over één nacht ijs zullen gaan en weloverwogen beslissingen zullen nemen in het belang van de school, de leerkrachten, maar vooral in het belang van al onze kinderen…
|